De voorkant van de longread over groene chemie
Longreads

Van economische achterblijver naar innovatieve koploper

‘In een hete zomer valt in woningen, die op een afstand van twintig meter van het water zijn gelegen, de verf van de kozijnen. Dit is geen leugen, maar dat is de praktijk.’ Zo beschreef de Groningse CPN-politicus Fré Meis in de jaren zeventig de situatie in zijn woonplaats Oude Pekela. Door vervuilende fabrieken was de lucht vergiftigd en stond het schuim zo dik op de kanalen dat schepen er niet meer konden varen. De vervuiling zette de leefbaarheid van het dorp onder druk, maar tegelijkertijd waren de inwoners sterk afhankelijk van de fabrieken voor werk en inkomen. Deze situatie in Oude Pekela liet de moeizame verhouding zien tussen milieu en werkgelegenheid, tussen economie en ecologie.

Groene chemie in Noord-Nederland.

De fabrieken in Oude Pekela richtten zich op strokartonproductie, maar de beschreven balansoefening is eveneens van toepassing op de chemische industrie. Om werkgelegenheid te scheppen, stimuleerden overheden de komst van chemische fabrieken naar Noord-Nederland. Tegelijkertijd bracht chemie vervuiling en daarmee overlast voor de omwonenden; de chemiefabriek Chemours in Dordrecht is daar een actueel voorbeeld van. De ontplooiing van de sector was een grillig proces, waarbij de uitgezette koers veelvuldig werd doorkruist.

Het doorbreken van de tegenstelling tussen economie en ecologie is nog altijd de centrale uitdaging voor de chemische industrie in Noord-Nederland. ‘Groene chemie’ is een belofte waarmee de sector op een organische manier kan uitgroeien tot een zelfbewuste motor voor de noordelijke economie.

De industrialisatie van een landbouwregio

In de eerste helft van de twintigste eeuw kampte het Noorden met grote en structurele werkloosheid. Terwijl de bevolking groeide, was er minder werk in de agrarische sector vanwege de mechanisering van de landbouw. Dit terwijl de landbouw van oudsher juist voor een groot deel van de werkgelegenheid zorgde. Het Noorden had weinig grote industrie, en kende een beperkte dienstensector. Dit probleem van de achterblijvende industrialisatie werd ook door de rijksoverheid onderkend. Na de Tweede Wereldoorlog stond alles in het teken van wederopbouw, economisch herstel en uiteindelijk economische groei, werden ook plannen gemaakt voor economisch achtergestelde regio’s. Door te investeren in deze regio’s kon de industriële groei gestimuleerd worden. Het was ook een middel waarmee de bevolking beter over het land verspreid moest worden.  

Dit wilde het Rijk bewerkstelligen door spreiding van de industrialisatie, waarbij voor de chemische industrie een belangrijke rol was weggelegd. In 1949 werd de eerste van totaal acht industrialisatienota’s uitgegeven; de tweede nota – Landelijke spreiding der industrialisatie door regionale concentratie – verscheen een jaar later. Deze tweede nota had veel aandacht voor de regionaal-economische problemen in Noord-Nederland. De nota wees drie ontwikkelingsgebieden aan die in aanmerking kwamen voor overheidssteun: Oostelijk Friesland, Oost-Groningen en Zuidoost-Drenthe. Van de 54 miljoen die met deze nota werd vrijgemaakt voor overheidssteun, werd er maar liefst 91 procent aan het Noorden besteed.    
De industrialisatie ging planmatig en rigoureus. Zo betekende de industrialisatie van Delfzijl dat hele dorpen worden gesloopt om ruimte te maken voor de uitbreiding van de haven. Zo staat vandaag de dag nog één boerderij en de middeleeuwse kerk van het dorp Heveskes overeind, eenzaam te midden van de industrie.

De voorkant van de longread over groene chemie
Verder lezen? Download de longread - Groene Chemie Download hier