Terug naar het overzicht

Jens Ruesink ‘Een praktisch model als TRL helpt mijn onderbuikgevoel structureren’

Een onderbuik. Ook ik heb ermee te maken. En ik kan hem niet afleggen op het moment dat ik moet beslissen of innovaties en productontwikkelingen een financiering van het Innovatiefonds waard zijn. Naast vertrouwen op gevoel kijk ik uiteraard ook naar rationale zaken zoals markt, product, ondernemer en financiën. Om een investeringsbeslissing te maken maak ik gebruik van theoretische modellen. Een veel gebruikte methode bij innovatie is ‘de Technology Readiness Levels’ (TRL).

Het Innovatiefonds werkt anders dan de andere fondsen binnen de NOM. Het verschil zit hem in het tijdstip van instappen. Want waar de NOM veelal investeert in bedrijven die hun marktintroductie al gehad hebben, financier ik bedrijven op een eerder moment in hun leven.

Dat is geweldig, niet in de laatste plaats omdat de uitdagingen groot zijn. Want hoe weet je nou of je op het goede paard inzet? Hoe kun je bepalen of het een goed moment is om een bedrijf te financieren of in een innovatie te investeren? Dat heeft eerlijk gezegd best veel te maken met gevoel, met de chemie die je ziet in een team, met de daadkracht van de ondernemer in kwestie, met diens geloof en bevlogenheid, met de behoefte in de markt en met de actuele kwaliteit van het product of de dienst dat verkocht moet worden.

Maar is dat genoeg? Zelf maak ik naast alle gewoonlijke checks gebruik van een instrument dat de TRL wordt genoemd, wat staat voor Technology Readiness Levels (zie afbeelding). Het is in wezen een meetlat in negen stappen waarop af te lezen is hoe ver een innovatie of productontwikkeling is op de weg naar volwassenheid. Stap 1 is in dat verband het fundamentele onderzoek, bij stap 9 is het product marktrijp.

NASA bedacht dit model al in de jaren tachtig van de vorige eeuw en de wetenschap kon er daarna ook mee uit de voeten. Het geeft mij als vroege investeerder een houvast in mijn bepaling of een innovatie of ontwikkeling al op het punt is gekomen dat een financiering nuttig en kansrijk is. Het is ook een instrument om de risico`s goed in kaart te brengen. Want ermee is duidelijk welke stappen nog gezet moeten worden, welke hobbels genomen en moeilijkheden overwonnen voordat succes gemeld kan worden.

In de wereld van investeerders en verstrekkers van subsidies en financieringen wordt TRL vrij algemeen gebruikt. Dat is logisch, omdat het model een concreet idee geeft van hoe ver een ontwikkeling is. In mijn geval als beheerder van het Innovatiefonds is het fijn als de werking van een product of dienst al in de praktijk is aangetoond. Nog te vaak zie je dat theoretisch alles fantastisch lijkt, maar de praktijk weerbarstiger is.

De standaard vragen die ik stel in een gesprek met een ondernemer zijn: ‘is het reproduceerbaar en hoe makkelijk is dat? Is het product tegen een aantrekkelijke kostprijs te maken? Is er een markt voor? Regelmatig zie je dat een ondernemer een prototype klaar heeft. Maar het ene prototype is het andere niet. De ene ondernemer spreekt pas van een prototype als er een vergevorderd, getest product is. De ander noemt een houtje-touwtje apparaat een prototype.

Het is iets waar ik scherp op ben. In het eerste geval zit zo’n ondernemer al bij stap 5 van TRL, in het tweede geval hangt hij tussen 2 en 3. En dat laatste is simpelweg te vroeg voor een financiering van het Innovatiefonds, omdat nog niet is aangetoond dat het product gaat werken.

Bij stap 4 begint het voor mij interessant te worden. Daarin wordt de specifieke toepassing van een innovatie of productontwikkeling onderzocht. Eén stap verder wordt het prototype getest in een relevante omgeving en daar kun je al aardig inschatten of een product een succes gaat worden. Natuurlijk zijn er nog veel risico`s in deze fase, vandaar de naam risicokapitaal. Want het is alsnog een stuk eerder in het proces dan veel andere fondsen, die vaak pas bij stap 8 of 9 instappen, als een product zich in de praktijk bewezen heeft en klaar is voor opschaling.

Alles hangt natuurlijk af van de vragen die ik stel. Ik moet erachter zien te komen hoe ver de ondernemer is, op welke stap op de TRL hij zit. Dus wil ik weten of er een proof of concept is, of er misschien al met een prototype bij klanten wordt getest. Pas daarna kan ik een goede afweging maken. En dat is alsnog best lastig hoor, en heeft voor een flink deel met gevoel te maken. Maar de TRL stelt me wel in staat er een praktische meetlat naast te leggen.

Het is geweldig dat een partij als NOM dergelijke risico`s mag en kan nemen. Het is een trechter (hoe meer je erin gooit, hoe meer eruit komt). Het is daarom belangrijk dat er geïnvesteerd blijft worden in deze vroege fase. Het kost veel tijd en energie en de kans op succes is gering. Dit is voor private investeerders lastig. Voor mij ook, maar TRL helpt me een handje.

 

Jens Ruesink

Ondernemerschap en innovatie zijn belangrijk voor de Nederlandse maatschappij en economie. Graag draag ik bij aan het stimuleren en aanjagen van ondernemerschap in Nederland. Dit heb ik in het verleden gedaan als ondernemer en consultant. Momenteel ben ik van toegevoegde waarde in.. Lees meer