Klokkenluidersregeling
Regeling inzake het omgaan met het vermoeden van een misstand.
Artikel 1 Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - de werknemer: degene die in dienstverband, of
anderszins gedurende langere periode, werkzaam is ten behoeve van de
vennootschap en haar dochtermaatschappijen; - de vennootschap: N.V. NOM, Investerings- en
Ontwikkelingsmaatschappij voor Noord-Nederland - de directeur, de directeur van de vennootschap; - de voorzitter van de Raad van Commissarissen: de voorzitter van de
Raad van Commissarissen van de vennootschap; - leidinggevende: degene die direct leiding geeft
aan de werknemer; - een vermoeden van een misstand; een op redelijke
gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de vennootschap en/of een van de
dochtermaatschappijen, in verband met: a. een
(dreigend) strafbaar feit; b. een
(dreigende) schending van wet- en regelgeving; c. een
(dreiging van) bewust onjuist informeren van autoriteiten of personen die
belast zijn met de uitvoering van of het toezicht op de naleving van wettelijke
regelingen, of wettelijke opsporingsambtenaren; d. een
(dreigende) schending van binnen de onderneming geldende gedragsregels; of e. een
(dreiging van) het bewust achterhouden, vernietigen of manipuleren van
informatie over deze feiten. Artikel 22.1
Tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond als
bedoeld in artikel 4 lid 2, meldt de werknemer een vermoeden van een misstand
intern bij zijn leidinggevende of, indien hij melding aan zijn leidinggevende
niet wenselijk acht, bij de directeur. Melding aan de directeur kan ook
plaatsvinden naast de melding aan zijn leidinggevende. 2.2
Alvorens de melding bij de leidinggevende
formeel wordt vastgelegd, ontvangt de betrokkene de onderhavige regeling en
wordt hij/zij expliciet erop gewezen dat de anonimiteit voor zover mogelijk
wordt gewaarborgd (art. 2.6 en art. 4.6) 2.3
De leidinggevende (of de directeur) legt de
melding, met de datum waarop deze ontvangen is, desgevraagd schriftelijk vast
en laat die vastlegging voor akkoord tekenen door de werknemer, die daarvan een
afschrift ontvangt. De leidinggevende draagt er zorg voor dat de directeur
onverwijld op de hoogte wordt gesteld van een gemeld vermoeden van een misstand
en van de datum waarop de melding ontvangen is en dat de directeur een
afschrift van de vastlegging ontvangt. 2.4
De directeur stuurt een ontvangstbevestiging aan
de werknemer die een vermoeden van een misstand heeft gemeld, respectievelijk
aan de leidinggevende die deze bevestiging naar de betrokken werknemer
doorleidt. In de ontvangstbevestiging wordt gerefereerd aan de oorspronkelijke
melding. 2.5
Bij ontvangst van de melding zal de
leidinggevende de melding beoordelen en indien de melding gegrond is onverwijld
een onderzoek starten. Indien de melding ongegrond wordt verklaard zal dit
besluit en de gronden waarop dit besluit is gebaseerd worden medegedeeld aan de
werknemer. 2.6
De werknemer verstrekt aan de leidinggevende
alle informatie die nodig is om de melding te beoordelen en een onderzoek te
verrichten. 2.7
De werknemer die het vermoeden van een misstand
meldt en degene aan wie het vermoeden van de misstand is gemeld, behandelen de
melding vertrouwelijk. Zonder toestemming van de directeur wordt geen
informatie verschaft aan derden binnen of buiten de vennootschap. Bij het
verschaffen van informatie zal de naam van de werknemer niet worden genoemd en
ook overigens de informatie zo worden verstrekt dat de anonimiteit van de
werknemer voor zover mogelijk gewaarborgd is. Artikel 3 Standpunt directeur en eventuele
stappen3.1
Binnen een periode van acht weken vanaf het
moment van de interne melding wordt de werknemer door of namens de directeur
schriftelijk op de hoogte gebracht van het standpunt van de directeur omtrent
het gemeld vermoeden van een misstand. Daarbij wordt aangegeven tot welke
stappen de melding heeft geleid. 3.2
Indien het standpunt niet binnen acht weken kan
worden gegeven, wordt de werknemer door of namens de directeur hiervan in
kennis gesteld en wordt aangegeven binnen welke termijn hij een standpunt
tegemoet kan zien. Artikel 4 Bijzondere procedures: I Melding aan de voorzitter van de Raad van Commissarissen II Melding aan de directeur I Melding aan de voorzitter van de Raad
van Commissarissen 4.1
De werknemer kan het vermoeden van een misstand
melden bij de voorzitter van de Raad van Commissarissen, indien: a.
hij het niet eens is met het standpunt als
bedoeld in artikel 3; b.
hij geen standpunt heeft ontvangen binnen de
vereiste termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 3; c.
de termijn, bedoeld in het tweede lid van
artikel 3, gelet op alle omstandigheden, onredelijk lang is en de werknemer
hiertegen bezwaar heeft gemaakt bij de directeur doch deze daarop niet een
kortere, redelijke termijn heeft aangegeven; d.
het vermoeden van een misstand een bestuurder
van de vennootschap betreft, of e.
er sprake is van een uitzonderingsgrond als
bedoeld in het volgende lid. 4.2
Een uitzonderingsgrond als bedoeld in het vorig
lid onder e. doet zich voor, indien sprake is van: a.
een situatie waarin de werknemer in redelijkheid
kan vrezen voor tegenmaatregelen als gevolg van een interne melding; b.
een eerdere interne melding conform de procedure
van in wezen dezelfde misstand, die de misstandniet heeft weggenomen. 4.3
De voorzitter van de Raad van Commissarissen
legt de melding, met de datum waarop deze ontvangen is, desgevraagd
schriftelijk vast en laat die vastlegging voor akkoord tekenen door de
werknemer, die daarvan een afschrift ontvangt. 4.4
De voorzitter van de Raad van Commissarissen
stuurt een ontvangstbevestiging aan de werknemer die een vermoeden van een
misstand heeft gemeld. Als de werknemer het vermoeden van een misstand al
eerder heeft gemeld, dan wordt in de ontvangstbevestiging gerefereerd aan de
oorspronkelijke melding. 4.5
Onverwijld wordt een onderzoek naar aanleiding
van de melding van een vermoeden van een misstand gestart. 4.6
De werknemer die het vermoeden van een misstand
meldt en degene aan wie het vermoeden van de misstand is gemeld, behandelen de
melding vertrouwelijk. Zonder toestemming van de voorzitter van de Raad van
Commissarissen wordt geen informatie verschaft aan derden binnen of buiten de
vennootschap. Bij het verschaffen van informatie zal de naam van de werknemer
niet worden genoemd en ook overigens de informatie zo worden verstrekt dat de
anonimiteit van de werknemer voor zover mogelijk gewaarborgd is. II Melding aan de directeurDe werknemer dient, indien hij
melding aan diens leidinggevende niet wenselijk acht, onverwijld bij de
directeur melding te doen in ieder van de volgende gevallen: a.
acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en
spoedeisend maatschappelijk belang dit onmiddellijk noodzakelijk maakt; b.
een duidelijke dreiging van verduistering of
vernietiging van bewijsmateriaal; c.
een wettelijke plicht of bevoegdheid tot het
direct extern melden. Artikel 5 Standpunt van de Raad van
Commissarissen en eventuele stappen5.1
Binnen een periode van acht weken vanaf het
moment van de interne melding wordt de werknemer door of namens de voorzitter
van de Raad van Commissarissen schriftelijk op de hoogte gebracht van een
inhoudelijk standpunt omtrent het gemeld vermoeden van een misstand. Daarbij
wordt aangegeven tot welke stappen de melding heeft geleid. 5.2
Indien het standpunt niet binnen acht weken kan
worden gegeven, wordt de werknemer door of namens de voorzitter van de Raad van
Commissarissen hiervan in kennis gesteld en aangegeven binnen welke termijn hij
een standpunt tegemoet kan zien. Artikel 6 Rechtsbescherming6.1
De werknemer die met inachtneming van de bepalingen
in deze regeling te goeder trouw een vermoeden van een misstand heeft gemeld,
wordt op geen enkele wijze in zijn positie benadeeld als gevolg van het melden
daarvan. 6.2
De werknemer heeft het recht om een raadsman in
de arm te nemen waarbij de lasten van deze rechtsbijstand, voorzover in
redelijkheid gemaakt, voor rekening van de vennootschap zullen komen. Artikel 7 InwerkingtredingDeze regeling treedt in werking op 1 januari 2006
|